maandag 8 december 2008

FC Cyril

De naam Cyril is afgeleid van het Griekse Kyrillos, wat 'heer' of 'meester' betekent. Dat klopt dan aardig, want Cyril is duidelijk heer en meester in het elftal van onze tegenstander. Hij heeft een vrije rol, uiteraard, als de echte groten. Constant klinkt zijn naam: 'hier, Cyril!', 'naar Cyril!'. Zonder hem waren ze reddeloos verloren, het lijkt wel of hij overal bij betrokken is. Ik vraag mijn eigen tegenstander hoeveel spelers in zijn team Cyril heten, maar hij kijkt me niet-begrijpend aan.

Als de scheids fluit voor de rust komt er een jochie met een gouden bal in zijn handen het veld oplopen. Cyril zegt: 'Krijgt papa een kusje?' Natuurlijk is het zijn kind. Hij is hier de man des huizes, de pater familias.


Ondanks Cyril gaan we toch winnen. Ondanks zijn assist gaan we toch winnen. Ondanks een penalty tegen – ingeschoten door Cyril – gaan we toch winnen. Want wij zijn met meer dan één. Tegen een echt team gaat zelfs FC Cyril ten onder.

Voetbal in Beeld II


Winterstop

Dat het tijd is voor de winterstop - even zonder voetbal, want op het moment zie ik overal voetbal in - werd mij afgelopen week duidelijk tijdens het lezen van een boek over de Nederlandse politiek.

Ik las:

'In 1996 verliet Deetman de Tweede Kamer. Zijn plaats op de voorzittersstoel werd na een kort maar hevig politiek steekspel ingenomen door PSV'er Piet Bukman. Vanwege zijn onervarenheid...'

Huh? PSV'er?

Na tweede lezing bleek Bukman gewoon een CDA'er te zijn, afkomstig uit een anti-revolutionair tuindersgezin.

maandag 1 december 2008

Invalbeurten

Het is al bijna 12 jaar geleden, maar vergeten zal ik het niet snel: de snelste rode kaart in de eredivisie na een invalbeurt. Dat lijkt triviaal, maar ik ben nu eenmaal bedeeld met een stel hersens dat nutteloze feitjes liever en beter onthoudt dan wetenschappelijke theorieën en praktische kennis. Die breingesteldheid heeft me meer na- dan voordelen opgeleverd, maar voor een voetbalblog lijkt deze handicap me bij uitstek wél geschikt.

Zo kan ik moeiteloos oplepelen dat Marcio Santos, de met veel bombarie gehaalde Braziliaanse wereldkampioen, op 22 december 1996 in de wedstrijd Ajax-PSV mocht invallen. Hij loste Mario Melchiot af en sprintte direct achter een tegenstander aan, om die luttele tellen later van achteren onderuit te schoffelen. En zo kon Santos, 19 seconden nadat hij was ingevallen, het veld alweer verlaten met een rode kaart op zak.

De aanleiding voor deze anekdote is een voorval in de uiterst vermakelijke wedstrijd Heerenveen-PSV van afgelopen zaterdag. De Eindhovenaren werden door Heerenveen vakkundig op een 2-0 achterstand gezet, maar kwamen wonderbaarlijk genoeg nog terug tot 2-2. Aangezien er na de gelijkmaker nog maar een paar minuten te spelen waren en PSV plots de overhand had, probeerde Heerenveen de tijd opzichtig te rekken.

Om die reden besloot trainer Sollied diep in blessuretijd nog eens te wisselen – een veel gebruikt middel van angstige coaches om de resterende speeltijd vol te maken. Het bord ging omhoog en wees aan dat nummer 35, Gerald Sibon, zou worden vervangen door nummer 44.

Daar stond hij dan, de 18-jarige Pool Pavel Wojciechowski. Klaar om in te vallen en nog even wat speelminuten mee te pakken. Ik had enorm met de jongen te doen, want de klok wees inmiddels aan dat de blessuretijd nagenoeg was verstreken. Ik hoopte voor hem dat de scheidsrechter uit medelijden in ieder geval nog een minuutje extra zou laten doorspelen.

Helaas.

Terwijl de Pool het veld op sprintte, blies arbiter Kuipers voor het einde. En zo werd Pavel Wojciechowski de speler met de kortste invalbeurt in de eredivisie. Zielig, maar ook onvergetelijk.

Vraag me er over 12 jaar nog maar eens naar.

Door Jamie.

Jamie schreef eerder voor de sportredactie van Volkskrant. Hier een selectie van een aantal sportverhalen op zijn blog over Feyenoord, de Tour, Wimbledon en zwemmen.

'E guy nobo'

Ik ben vijf minuten te laat, maar ben toch een van de eersten. Op het veld staat een jongen al klaar. Hij is jong, iets te zwaar, en komt nerveus over. Zijn schoenen glimmen en hij heeft lang nagedacht over wat hij aanheeft. Hij is nieuw.

Als de trainig begint, bespreekt de trainer de aankomende wedstrijd en zeurt wat over de instelling. Hij herrinnert ons aan het feit dat we in de hoofdklasse spelen en ons zo ook moeten gedragen. De nieuwe jongen voelt zich meteen aangesproken en glimt alleen al bij de gedachte. De nieuwe jongen wordt niet voorgesteld.

Bij de warming-up probeert de nieuwe jongen al uit te blinken. Hij zweet zich kapot. De nodige opmerkingen over zijn te enthousiaste knieheffingen vliegen al over het veld. Aangezien niemand verder naar zijn naam heeft gevraagd noemt men hem maar 'e guy nobo', de nieuwe jongen. Tijdens de training lukt niet veel. Hij weet zijn technische onkunde en motorische tekortkomingen niet goed te verbergen. Er wordt om hem gelachen. Ik snap de humor niet echt en heb medelijden met hem. Ik geef hem een paar tips, maar de verwarde blik in zijn ogen zegt mij dat hij ze niet snapt. Om zaken erger te maken wordt hij gepoort en valt hij achterover. Iedereen lacht en hij lacht geforceerd mee. Hij wil helemaal niet lachen. Hij wil het liefst van het veld lopen.

Na de training hoor je weinig over tactiek, of de aankomende wedstrijd. Het meest besproken onderwerp is hij. Ik zie hem stil en teleurgesteld weglopen en loop naar hem toe. Ik vraag naar zijn naam. Hij heeft geen behoefte aan een gesprek. Na die eerste training heb ik hem nooit meer gezien en eerlijk gezegd ben ik zijn naam ook vergeten.

Voetbal is voor velen een prachtige sport. Voor deze jongen niet meer. Voor de nieuwe jongen is het hard en genadeloos geweest. Misschien dat hij het ergens anders nog een keer probeert, of een niveautje lager zijn best gaat doen. Ik betwijfel het. Mijn trainer in de A-tjes zei altijd: "Bo por stima futbol cuanto cu bo kier, pero si futbol no stimabo bek...lage bai."

"Je kan zoveel van voetbal houden als je wilt, maar als voetbal niet van jou houdt...laat het dan maar gaan."

Door Wes

Buren

Alle jaren dat ik mijn seizoenskaart bij Ajax heb, heb ik dezelfde buren gehad. Voor me zit een man van middelbare leeftijd die vroeger altijd zijn zoon bij zich had, maar tegenwoordig elke keer iemand anders. Zijn accent verraadt dat hij niet uit Amsterdam komt (“Loop’n Klaes-Jan! Loop’n!”).

Links van ons zitten een Amsterdamse vader en zoon, waarvan de vader nooit wat zegt en de zoon werkelijk altijd loopt te zeuren. Nou is er de afgelopen jaren veel te zeuren geweest, maar hij maakt het wel heel bont. Ik heb nog nooit iets positiefs uit zijn mond gehoord. Hij zingt ook nooit mee en moedigt niet aan.

Rechts naast ons zit niemand, daar is het gangpad.

Achter ons zitten mijn favoriete buren, twee grote kerels, heftruckchauffeurs. Eén van hen praat graag, heel graag. Of eigenlijk moet ik zeggen: één van hen maakt graag geluiden. Vroeger riep hij op willekeurige momenten heel hard ‘PRUTSERS’, wat vaak nog wel relevant was, of ‘COLA’, wat minder relevant was. Afgelopen zondag maakte hij zo af en toe met zijn mond wat scheetgeluiden. De andere man zegt meestal niets, behalve soms ook ‘cola’, maar wel minder hard. Volgens mij weet hij ook niet precies wat hij ermee aanmoet.

De ene man, de schreeuwer, is af en toe ook verrassend grappig. Ik moet zelf elke keer weer lachen als hij aan mensen, die tijdens de wedstrijd langs hem naar beneden lopen om naar het toilet te gaan of bier te halen, vraagt ‘of het vechten al gaat beginnen’. Hij kreeg een behoorlijk aantal mensen om hem heen aan het lachen door tijdens de laatste wedstrijd, toen Enoh plotseling voorin aan de zijkant van het veld doorbrak, te roepen: ‘wat is ie goed he, die Finidi George!’. Toen hij even later weer wat scheetgeluiden begon te maken, keek niemand op of om.

Oma

Half elf, tv aan voor Studio Sport. Op NOVA wordt verslag gedaan van de aanslagen in Mumbai. Oma zit naast mij, 90 jaar oud. Ze schudt haar hoofd. Als de correspondent is uitgesproken zap ik door naar Nederland 3, de vertrouwde tune wordt ingezet en er klinken lovende woorden over de Nederlandse competitie: spanning, strijd en veel goals.

Vier wedstrijden. We kijken er maar een, hoor, zeg ik, wetende dat oma echt nooit iets met voetbal heeft gehad. Oma leeft mee met de wedstrijd: oeh's en aah's klinken. Maar meer dan dat: de keeper die volgens analisten als een zak aardappelen naar de grond gaat, wordt door oma heel anders beoordeeld: "Dat is heel goed gedaan, keeper" zegt oma.

Naar die analisten hoef ik niet meer te luisteren. Oma zag het goed.