maandag 11 oktober 2010
Peer
Hoewel ik mij hier buitengewoon aan kan ergeren betrap ik mezelf tot mijn schaamte in bepaalde situaties ook op dit soort sentimenten, en dat betreft altijd afstandsschoten. Hoe is het toch in 's hemelsnaam mogelijk dat zo veel afstandsschoten richting cornervlag of tweede ring verdwijnen? Ze oefenen daar toch elke dag op? Bij in één keer genomen ballen is het percentage dat op doel gaat potverdorie nog geen vijf procent!
Sinds mijn eigen wedstrijd van afgelopen zondag ben ik er weer even aan herinnerd hoe dit komt.
Ik ben mee naar voren, sta even buiten de zestien in gunstige positie, roep de naam van degene die zich even voor me heeft vastgelopen, hij legt de bal mooi terug en ik denk "nu ga ik me die bal toch een enorme peer verkopen.."
Dat moet je dus niet doen.
vrijdag 8 oktober 2010
Paardenkus
De ANP-journalist die in een nieuwsbericht over Klaas Jan Huntelaar schreef dat hij “een gevoelige tik op zijn bovenbeen, een zogeheten paardenkus” heeft gehad, moet daar een mooie fles wijn voor hebben gekregen.
Je kent het, die weddenschap – eigenlijk meer een overeenkomst – dat wanneer je een prachtwoord in de juiste context, zonder opsmuk, zonder dat het gezocht is, weet te gebruiken, je een bewonderenswaardige blik van je vrienden kan krijgen. En als je echt scoort een fles wijn.
Het gaat niet om die clichés in de rust, of om de geintjes op de bank op zondagavond.
Ook ‘zondagsschot, ‘zespuntenwedstrijd’ en een ‘ziekenhuisbal’ zijn al te veel ingeburgerd.
Nee, het zijn de woorden die altijd even tussen aanhalingstekens geplaatst moeten worden, cursief worden geplaatst, of worden voorafgegaan door ‘een zogeheten’. De beste zijn zelfs via Google nauwelijks te vinden.
Dus: een paardenkus, ook wel bekend als ‘ijsbeentje’. Of wat te denken van een ‘Bobby-training’.
Graag meer van dat.
woensdag 6 oktober 2010
Poepen
Daar gaat ‘ie dan: voetballers en poepen.
Helemaal actueel, want dit weekend rende NAC-speler Kees Luijckx in de 65e minuut plotseling van het veld. Hij had hier helaas geen romantische redenen voor. Het was niet dat Kees in een vlaag van verstandsverbijstering dacht: wat doe ik hier toch allemaal, dat gepiel op zaterdagavond, ik ga naar huis, mijn maten in de kroeg opzoeken, ik ga weer leren, een echt vak, net als vader voor de klas.
Nee, Kees moest poepen. Sommige jongens vergeten hun schoenen, sokken of scheenbeschermers, andere beginnen de wedstrijd met volle darmen.
In de 65e minuut rende Kees het veld af, een minuut later was hij terug. Maar hoe regel je zoiets in het profvoetbal? Is het gewoon rennen en terugkeren? Of zou Kees tijdens een corner een ploegmaat om raad hebben gevraagd? Of even naar de lijn roepen: “Trainer, ik moet eigenlijk even poepen. Kan dat?” Of de scheids: “Scheidsie, momentje hoor, leg het effe stil, ben zo terug, echt één minuutje.”
Ach, in de 8e klasse hebben we het allemaal meegemaakt. Toen van de zomer onze kleedkamers verbouwd werden, en daarmee onbegaanbaar waren, sprintte er één met een oude sok, uit de tas gegrist, de bosjes in. Daar keek niemand echt van op. Jammer dat de bal even later ook 'ongeveer daar' de bosjes invloog.
Toch zijn het de momenten die het voetbalweekend kleur geven. Zondag zullen – in navolging van gesprekken aan de voetbaltafels – de grappen in de kleedkamer en kantine over Kees gaan die moest poepen.
zondag 3 oktober 2010
In balbezit
In de jaren dat ik op z’n minst wekelijks tegen een bal trapte, heb ik er een zwembad aan ballen doorheen gejaagd. Welke jongen niet. Soms deed je maanden met een bal, soms was het in een week gebeurd. Dan belandde je bal met een doffe plof in de prikkelbosjes – de nachtmerrie van elke bal – of begaf het buitenleer het al snel bij het oeverloos afranselen van je bal tegen een muurtje, zodat de binnenbal als een acute puist de kop op kwam steken.
Maar als mijn bal over een heg in iemands tuin neerdaalde, of met een onbesuisde lob op een dak belandde, gaf ik zelden op. Dan besteeg ik de regenpijp, of raapte ik al mijn stoere moed bijeen, belde ik aan bij de buurman -of vrouw (die me al zo vaak had gewaarschuwd) en beloofde ik dat ik nu echt elders een voetbalveldje zou zoeken. Maar als men niet thuis (of bereid) was om de bal terug te geven, moest je wat anders bedenken.
Zo heb ik nog wel eens op een vriend gestaan, die op zijn beurt weer op een andere kameraad (de sterkste van het gezelschap) stond. Met een doorslaggevend laatste zetje baande ik me een weg door de wildgroei van halfdorre klimop, over een betongrijze muur in een betongrijze arbeiderswijk in Scheveningen. Eenmaal over de muur kon ik mijn bal weer in de armen sluiten, maar vervolgens moest al het tuinmeubilair er aan te pas te komen om mij terug te krijgen over de verwilderde omheining. Het kostte me een spijkerbroek, maar het scheelde me een nieuwe bal.
Eén keer verloor ik het, en wel van de elementen. In de vroege jaren ’90, in de jaren van testbeeld op tv, MC Hammer op de radio en Word Perfect op de pc – die je trouwens toch nog niet had – ging ik naar zee. Ik had zo’n plastic oranje bal bij me, met een opdruk van zwarte vlakken. Als het waaide, moest je ‘m stevig vasthouden, vooral aan zee. De wind stond landafwaarts en de zee kopje-rolde over het strand. De golven bleven onophoudelijk komen en tuimelden voor mijn voeten. Dat het eb werd deed daar niets aan af, dacht ik. Bij het gebrek aan een voetbalmaatje, vatte ik het briljante idee op om mijn bal een geweldig harde trap te geven richting zee. Die zou hem zonder twijfel weldra weer terugbrengen en uitspuwen voor mijn voeten.
Met dat vertrouwen in de grote vriendelijke zee gaf ik de bal een ram met alle kracht die ik in mijn rechter had. En met een beetje geluk, gelet op de winderige omstandigheden, raakte ik hem absoluut niet slecht. Trots keek ik hem na. Nu even wachten, en straks weer opnieuw. Maar de zee had geen trek in een potje voetbal, het eb zette vastberaden door. En op het moment dat ik dat besefte was de bal al te ver van de kust om hem nog te gaan halen. Ik heb hem nagekeken tot ik zeker wist dat ik geen oranje meer zag.
De tennisbal van onze hond bleef ook ooit achter in de zee, die zonk. (In tegenstelling tot mijn oranje bal, want ik veronderstel dat die nog altijd wat ronddobbert tussen Nederland en Engeland). Omdat de hond niet van opgeven wilde weten, moest er een nieuwe bal worden gehaald, terwijl onze viervoeter ondertussen radeloos, maar driftig en proestend bleef zoeken en happen in de branding. Alleen met een nieuwe bal was hij weer te paaien en zou hij weer meekomen naar huis.
Daags na de kennismaking met het onverbiddelijke getij, zocht ook ik weer een nieuwe bal, waar ik al snel weer evenveel van hield als van de vorige.
Door: Pieter Bosch, student Nederlands in Utrecht (twitter.com/pieterabosch)vrijdag 1 oktober 2010
Winnen
Het spel is vier tegen vier, en het lijkt erop dat het ene team het andere heeft uitgedaagd; dat er niet uit één grote groep twee teams zijn samengesteld. Dit leiden we af aan het feit dat de twee teams totaal verschillend zijn: vier straatvoetballers tegen vier veldvoetballers, trucjes tegen schouderduwen, snel tikken tegen organisatie en goed verdedigen. Er wordt gespeeld om de heerschappij over het veldje, denken wij.
Het is mooi om naar te kijken, want iedereen op het veldje kan voetballen. Het spel golft op en neer en het is lastig te zien wat de bovenliggende partij is. Ik vraag me af voor wie ik ben. Ik identificeer me meer met de veld- dan met de straatspelers, maar dat is nog geen reden om partij te kiezen. Ik bespreek de kwestie met mijn mededrinkers, en er ontstaan twee kampen die elkaars voorkeur op luide toon bekritiseren. Bij een pauze in de discussie kijken en luisteren we naar het voetbal.
De veldjongens scoren.
De straatvoetballers tikken iedereen gek.
Niemand houdt de stand bij.
woensdag 29 september 2010
Mijn opa heeft altijd gelijk
Het was 1973 toen mijn opa S.V. Odijk voor de derde keer op rij regio-kampioen maakte. Het is zeker niet het enige succes dat de club langs de Kromme Rijn ooit gekend heeft maar heel het dorp weet dat mijn opa voor altijd onlosmakelijk verbonden zal blijven aan de gouden periodes uit het verleden. Hij stond namelijk symbool voor de manier waarop Odijk destijds speelde; attractief, snel, dwingend en vooral heel slim voetbal. Mijn opa was de alleskunner, de architect pur sang en een plaatselijke legende.
Nu, zovele jaren verder, is mijn opa nog altijd even ongenaakbaar als dat hij toendertijd op het veld was. Al het vijandelijke verzet vernietigende steekballen van net buiten de zestien en flitsende uitbraken langs de krijtstrepen hebben plaatsgemaakt voor zorgvuldig uitgespeelde counters en dodelijke efficiëntie uit de pen vanachter een oud houten bureau . Middels het plaatselijke krantje “’t Groentje” moet vooral zijn oude liefde S.V. Odijk het zo nu en dan in zijn columns ontgelden. Zoals mijn opa vroeger op het veld niet te stoppen was, zo weet ook nu niemand zijn aanvallen in de media gedegen te pareren.
Mijn opa is in dat opzicht niet veranderd, S.V. Odijk wel. Al enkele jaren is er geen kampioenschap in de wacht gesleept en in de regionale beker speelt het kleine dorp al jaren geen rol van betekenis. De grote concurrent uit het naburige dorp Bunnik weet zich, gesteund door een lokale televisieboer, elk seizoen adequaat te versterken en tegenwoordig spelen zelfs de “kleintjes” voor het kampioenschap. In Odijk spreken ze dan nog van geluk dat de grote vijand uit Werkhoven gebukt gaat onder financieel moeilijke tijden.
Gelukkig is er sinds vorig seizoen een nieuwe trainer; een gezellige dikke man die liever in een trainingspak loopt dan dat hij zich in een maatpak hijst. Hij weet de Odijkse jongens op de juiste plaats te zetten, geeft de jeugd de kans en boekt prima resultaten. Voor het eerst sinds jaren afwezigheid doet Odijk weer mee in de regionale beker. De sfeer is een stuk beter en na afloop drinkt iedereen samen gemoedelijk een biertje en worden er broodjes bal genuttigd in de kantine. Na jaren van slechte aankopen, louter passerende trainers en stropdassen met een gouden één wordt er in Odijk eindelijk weer gevoetbald.
Mijn opa ziet dat anders. De spelers staan verkeerd, we missen buitenspelers, we trekken dure overbodige spelers aan en we geven eigen talent geen kans. Dat de laatste jaren veel van mijn vroegere vriendjes in het eerste elftal zijn doorgebroken en dat sommige zelfs voor veel geld naar een andere club gegaan zijn, is aan dovemansoren besteed. Mijn opa drinkt dan ook geen biertje na afloop en eet ook geen broodjes bal. Nee, mijn opa zit verbolgen thuis, tikt verbitterd een kritisch stuk voor “’t Groentje” na de zoveelste overwinning en noemt dit S.V. Odijk het slechtse elftal in de clubhistorie. Ongenaakbaar en welhaast onnavolgbaar.
Alleen mijn oma staat hij toe zich door zijn ivoren toren naar boven te wanen, maar slechts om hem te roepen wanneer het diner op het punt staat opgediend te worden. Dan daalt hij neer en neemt hij plaats aan de keukentafel. Mijn oma zet het vlees op tafel, heerlijke karbonade, mijn opa moppert dat het te taai is. Ongeveer een jaar geleden, toen mijn oma terugkwam uit de keuken met de aardappeltjes, was de tafel leeg. Mijn opa was op stel en sprong naar de algemene ledenvergadering van S.V. Odijk vertrokken. De maat was vol. Het was me een heisa. Heel het dorp in rep en roer. Jawel, hij ging het dan eindelijk doen! De foto’s van mijn opa op zijn luxe herenfiets voor de slagboom van het Odijkse sportcomplex gingen heel de provincie door.
Uiteindelijk deed mijn opa niet zo heel veel. Een hoop oproer maar een week later zat hij gewoon weer aan de keukentafel. Het vlees was wederom te taai. Zo is mijn opa, want zo hebben we hem gevormd door hem nooit op de vingers te durven tikken. Een legende eet mals vlees en duldt geen tegenspraak. En als een legende op dreef is, ontziet hij niks of niemand. De voorzitter, de penningmeester, de trainer, de kantinejuffrouw, de vrijwilligers achter de bar, ze moeten er allemaal uit! Hup, heel de club op de schop, van de grond af aan weer opbouwen. Mensen met een clubhart aan het roer en de eigen jeugd een kans.
Maar opa, wie heeft er nu een clubhart? Al die mensen die elke zaterdag en zondag de kantine openhouden of die arme oude eenzame man die jaren lang vernietigende stukjes tikt over de club die hem groot heeft gemaakt? Maar zo ziet mijn opa dat niet, hij roept naar wie het maar horen wilt: "We hebben geen rechtsbuiten.”
En daar ligt de crux. Mijn opa heeft gelijk, zoals wel vaker. We hebben geen rechtsbuiten, het spel kan beter en natuurlijk haal je het liefst nog meer uit de jeugd. Een allesomvattend en niet te kraken gelijk, maar wel het gelijk van een verbitterde romanticus die de wereld van vroeger niet los kan laten, opgerakeld vanuit liefde voor de club maar doordrenkt met een onuitgesproken boosheid. Liefdevol doch rancuneus.
De gouden tijden zijn vervlogen en er zijn andere tijden aangebroken. Het is roeien met de riemen die je hebt om de motorboten om je heen nog enigzins bij te kunnen houden, een hoop geschreeuw vanaf de wal, want daar staan ze, helpt daar dan niet bij. De gezellige dikke trainer leidt het team van overwinning naar overwinning , laat de vervelende erfenis aan te veel, te duur en te onbeduidend spelersmateriaal slinken en doet overwogen en financieel verantwoorde aankopen. Daarmee duwt hij de club richting rustig vaarwater en kan er weer koers worden gezet naar een mooie toekomst. Op het moment dat we afstand nemen van de afgrond waarschuwt mijn opa dan dat we er bijna in dreigen te vallen. Ik mag hopen dat ze er in Odijk niet te veel aandacht aan zullen besteden.
Opa, alstublieft, laat het rusten en neem wat afstand, het komt wel goed daar in Odijk. Neem oma mee op vakantie naar Barcelona en ga lekker uit eten!
Door: Dave de Jong
zondag 26 september 2010
Doppelgänger doelpunt
Dat doelpunten niet uniek zijn, bewijzen ze op de Italiaanse televisie wekelijks. In het overzicht van de Italiaanse Studio Sport speelt een oud herenteam iedere zondag de mooiste doelpunten van dat weekend na. Dit om de kijker te bedienen, zonder in te breken in de rechten van het originele beeldmateriaal. In een dubbelrol van acteur en voetballer worden eerst de beelden goed bekeken en daarna, met veel gevoel voor detail, de doelpunten nagespeeld.
Het is de 87e minuut van onze wedstrijd. De stand is 7-5, een doorsnee tussenstand voor het niveau waarop wij spelen. Voor het eerst in de wedstrijd hebben we een comfortabele marge van twee doelpunten, en de wedstrijd voelt beslist. In niets lijkt deze wedstrijd op de derde groepswedstrijd van het Nederlands elftal tijdens het EK ’88. Wij spelen een onbeduidende pot in de vierde klasse reserve en de wedstrijd is na 86 minuten voetballen twaalf doelpunten rijker. Het Nederlands elftal speelde in ’88 tegen Ierland en stond vlak voor tijd nog op 0-0, een stand waarmee Nederland vroegtijdig het toernooi zou moeten verlaten...
Nog één keer zetten wij aan in de wedstrijd; de aanval gaat over rechts en ik kies positie bij de tweede paal. Met veel effect wordt de voorzet gegeven. Het effect draait de bal van het doel af, ogenschijnlijk buiten mijn bereik. Ik doe twee stappen terug en spring met uiterste krachtsinspanning om de bal toch te koppen: terugleggen bij de eerste paal lijkt het maximaal haalbare. Ik raak de bal half. Het effect van de voorzet wordt overgenomen in de kopbal en na een stuit verlegt de bal zijn koers richting doel. De keeper is geklopt en bal verdwijnt in het net.
Even voel ik mij Wim Kieft die een belangrijk doelpunt heeft gemaakt, maar dan realiseer ik mij dat eigenlijk een B-acteur ben die zo kan solliciteren voor de Italiaanse Studio Sport.
Door: Rolf Bremmer