zondag 17 oktober 2010

Media

Voetballers krijgen al op jonge leeftijd mediatraining. Dit maakt het schier onmogelijk een leuk gesprek te hebben met die gasten wanneer er een camera draait. Gesprekken na een wedstrijd voegen dan ook bijna nooit wat toe. Toch blijf je kijken. Maar dat is weer een ander verhaal.

Zelfs bij een gewone vraag – lekker uitgerust tijdens de vakantie? Of: Hoe was het feest? – krijg je de verhalen die je na een wedstrijd hoort. “We moeten gewoon rustig doorgaan”, “We hebben een goede stap gezet” en meer van dat.

Er zijn natuurlijk uitzonderingen: Theo Janssen bijvoorbeeld, of Ruud van Nistelrooij. En bij de trainers lopen er genoeg rond die je nog wat nieuws vertellen of ten minste een glimlach op je gezicht toveren. Nee, niet Fred Rutten. Ook dat is weer een ander verhaal.

Een mooi voorbeeld toont Urby Emanuelson. In een interviewtje geeft Urby antwoord alsof hem gevraagd is of Ajax kampioen gaat worden, of gaat overleven in Europa. “Het begin is gezet”, zegt hij.

In feite werd hem gevraagd hoe kort hij zijn haar ging knippen. (video)

vrijdag 15 oktober 2010

Droom

Vroeger droomde ik iedere nacht over voetbal. Over hoe ik gevraagd werd voor dat ene elftal, over hoe ik dat toernooi won, of over hoe ik de winnende scoorde – laatste minuut, penalty. Hier kwam ik altijd bij uit als ik niet kon slapen en mijn moeder zei: “Denk maar aan wat leuks.”

Nu droom ik eigenlijk nooit meer over voetbal. Tot vannacht.

Droom: ik kwam op zondag wat later aan in de kleedkamer. Zulke dingen zijn normaal bij ons; iedere week is er wel een te laat. Soms leidt het tot discussie, vaker gaan we er aan voorbij.

Op het veld sloot ik me aan bij de warming-up. Ik liep naar mijn maatje op het middenveld – dat wil zeggen, mijn echte maat op het middenveld is langdurig geblesseerd, dus nu vorm ik met een nieuw maatje het centrum – maar hij ontweek mij. Hij liep weg. Alsof we ruzie hadden.

De scheids floot om de aanvoerders bij zich te roepen. Ik ging klaar staan, tot mijn maatje mij naar de kant duwde: “Je begint wissel.” Tijd voor discussie was er niet.

Ik sjokte naar de kant. Toen schrok ik wakker. Ik kijk nu al uit naar zondag.

maandag 11 oktober 2010

Peer

Het is overbekend dat het voetbal kijken met leken, zoals dat af en toe noodgedwongen voorkomt, een veelheid aan ongenoegens met zich meebrengt. Eén der meest vervelende hiervan doet zich voor als iemand, die zich ten onrechte gekwalificeerd acht commentaar te geven, na een slechte actie begint te oreren over "dat ze er toch elke dag op kunnen oefenen" en "er miljoenen voor betaald krijgen en er nog steeds niets van kunnen".

Hoewel ik mij hier buitengewoon aan kan ergeren betrap ik mezelf tot mijn schaamte in bepaalde situaties ook op dit soort sentimenten, en dat betreft altijd afstandsschoten. Hoe is het toch in 's hemelsnaam mogelijk dat zo veel afstandsschoten richting cornervlag of tweede ring verdwijnen? Ze oefenen daar toch elke dag op? Bij in één keer genomen ballen is het percentage dat op doel gaat potverdorie nog geen vijf procent!

Sinds mijn eigen wedstrijd van afgelopen zondag ben ik er weer even aan herinnerd hoe dit komt.

Ik ben mee naar voren, sta even buiten de zestien in gunstige positie, roep de naam van degene die zich even voor me heeft vastgelopen, hij legt de bal mooi terug en ik denk "nu ga ik me die bal toch een enorme peer verkopen.."

Dat moet je dus niet doen.

vrijdag 8 oktober 2010

Paardenkus

De ANP-journalist die in een nieuwsbericht over Klaas Jan Huntelaar schreef dat hij “een gevoelige tik op zijn bovenbeen, een zogeheten paardenkus” heeft gehad, moet daar een mooie fles wijn voor hebben gekregen.

Je kent het, die weddenschap – eigenlijk meer een overeenkomst – dat wanneer je een prachtwoord in de juiste context, zonder opsmuk, zonder dat het gezocht is, weet te gebruiken, je een bewonderenswaardige blik van je vrienden kan krijgen. En als je echt scoort een fles wijn.

Het gaat niet om die clichés in de rust, of om de geintjes op de bank op zondagavond.

Ook ‘zondagsschot, ‘zespuntenwedstrijd’ en een ‘
ziekenhuisbal’ zijn al te veel ingeburgerd.

Nee, het zijn de woorden die altijd even tussen aanhalingstekens geplaatst moeten worden, cursief worden geplaatst, of worden voorafgegaan door ‘een zogeheten’. De beste zijn zelfs via Google nauwelijks te vinden.

Dus: een paardenkus, ook wel bekend als ‘ijsbeentje’. Of wat te denken van een ‘Bobby-training’.

Graag meer van dat.

woensdag 6 oktober 2010

Poepen

Als je zegt verhalen achter het voetbal te vertellen, moet je soms ver gaan.

Daar gaat ‘ie dan: voetballers en poepen.

Helemaal actueel, want dit weekend rende NAC-speler Kees Luijckx in de 65e minuut plotseling van het veld. Hij had hier helaas geen romantische redenen voor. Het was niet dat Kees in een vlaag van verstandsverbijstering dacht: wat doe ik hier toch allemaal, dat gepiel op zaterdagavond, ik ga naar huis, mijn maten in de kroeg opzoeken, ik ga weer leren, een echt vak, net als vader voor de klas.

Nee, Kees moest poepen. Sommige jongens vergeten hun schoenen, sokken of scheenbeschermers, andere beginnen de wedstrijd met volle darmen.

In de 65e minuut rende Kees het veld af, een minuut later was hij terug. Maar hoe regel je zoiets in het profvoetbal? Is het gewoon rennen en terugkeren? Of zou Kees tijdens een corner een ploegmaat om raad hebben gevraagd? Of even naar de lijn roepen: “Trainer, ik moet eigenlijk even poepen. Kan dat?” Of de scheids: “Scheidsie, momentje hoor, leg het effe stil, ben zo terug, echt één minuutje.”

Ach, in de 8e klasse hebben we het allemaal meegemaakt. Toen van de zomer onze kleedkamers verbouwd werden, en daarmee onbegaanbaar waren, sprintte er één met een oude sok, uit de tas gegrist, de bosjes in. Daar keek niemand echt van op. Jammer dat de bal even later ook 'ongeveer daar' de bosjes invloog.

Toch zijn het de momenten die het voetbalweekend kleur geven. Zondag zullen – in navolging van gesprekken aan de voetbaltafels – de grappen in de kleedkamer en kantine over Kees gaan die moest poepen.

zondag 3 oktober 2010

In balbezit

In de jaren dat ik op z’n minst wekelijks tegen een bal trapte, heb ik er een zwembad aan ballen doorheen gejaagd. Welke jongen niet. Soms deed je maanden met een bal, soms was het in een week gebeurd. Dan belandde je bal met een doffe plof in de prikkelbosjes – de nachtmerrie van elke bal – of begaf het buitenleer het al snel bij het oeverloos afranselen van je bal tegen een muurtje, zodat de binnenbal als een acute puist de kop op kwam steken.

Maar als mijn bal over een heg in iemands tuin neerdaalde, of met een onbesuisde lob op een dak belandde, gaf ik zelden op. Dan besteeg ik de regenpijp, of raapte ik al mijn stoere moed bijeen, belde ik aan bij de buurman -of vrouw (die me al zo vaak had gewaarschuwd) en beloofde ik dat ik nu echt elders een voetbalveldje zou zoeken. Maar als men niet thuis (of bereid) was om de bal terug te geven, moest je wat anders bedenken.

Zo heb ik nog wel eens op een vriend gestaan, die op zijn beurt weer op een andere kameraad (de sterkste van het gezelschap) stond. Met een doorslaggevend laatste zetje baande ik me een weg door de wildgroei van halfdorre klimop, over een betongrijze muur in een betongrijze arbeiderswijk in Scheveningen. Eenmaal over de muur kon ik mijn bal weer in de armen sluiten, maar vervolgens moest al het tuinmeubilair er aan te pas te komen om mij terug te krijgen over de verwilderde omheining. Het kostte me een spijkerbroek, maar het scheelde me een nieuwe bal.

Eén keer verloor ik het, en wel van de elementen. In de vroege jaren ’90, in de jaren van testbeeld op tv, MC Hammer op de radio en Word Perfect op de pc – die je trouwens toch nog niet had – ging ik naar zee. Ik had zo’n plastic oranje bal bij me, met een opdruk van zwarte vlakken. Als het waaide, moest je ‘m stevig vasthouden, vooral aan zee. De wind stond landafwaarts en de zee kopje-rolde over het strand. De golven bleven onophoudelijk komen en tuimelden voor mijn voeten. Dat het eb werd deed daar niets aan af, dacht ik. Bij het gebrek aan een voetbalmaatje, vatte ik het briljante idee op om mijn bal een geweldig harde trap te geven richting zee. Die zou hem zonder twijfel weldra weer terugbrengen en uitspuwen voor mijn voeten.

Met dat vertrouwen in de grote vriendelijke zee gaf ik de bal een ram met alle kracht die ik in mijn rechter had. En met een beetje geluk, gelet op de winderige omstandigheden, raakte ik hem absoluut niet slecht. Trots keek ik hem na. Nu even wachten, en straks weer opnieuw. Maar de zee had geen trek in een potje voetbal, het eb zette vastberaden door. En op het moment dat ik dat besefte was de bal al te ver van de kust om hem nog te gaan halen. Ik heb hem nagekeken tot ik zeker wist dat ik geen oranje meer zag.

De tennisbal van onze hond bleef ook ooit achter in de zee, die zonk. (In tegenstelling tot mijn oranje bal, want ik veronderstel dat die nog altijd wat ronddobbert tussen Nederland en Engeland). Omdat de hond niet van opgeven wilde weten, moest er een nieuwe bal worden gehaald, terwijl onze viervoeter ondertussen radeloos, maar driftig en proestend bleef zoeken en happen in de branding. Alleen met een nieuwe bal was hij weer te paaien en zou hij weer meekomen naar huis.

Daags na de kennismaking met het onverbiddelijke getij, zocht ook ik weer een nieuwe bal, waar ik al snel weer evenveel van hield als van de vorige.

Door: Pieter Bosch, student Nederlands in Utrecht (twitter.com/pieterabosch)

vrijdag 1 oktober 2010

Winnen

Zitten we bier te drinken, wordt er gevoetbald. Niet op een tv in de bar, maar op het gras niet ver van het terras, op een klein veldje met twee metalen doeltjes. Nu hebben we altijd de neiging om mee te willen doen met dit soort potjes, maar die onderdrukken we, want het spel is in volle gang, het gaat er serieus aan toe, en we zitten tenslotte bier te drinken. We hebben ervaren dat zelfs relatief kleine hoeveelheden alcohol ons spel veel kwaad doen. Kijken dus maar.

Het spel is vier tegen vier, en het lijkt erop dat het ene team het andere heeft uitgedaagd; dat er niet uit één grote groep twee teams zijn samengesteld. Dit leiden we af aan het feit dat de twee teams totaal verschillend zijn: vier straatvoetballers tegen vier veldvoetballers, trucjes tegen schouderduwen, snel tikken tegen organisatie en goed verdedigen. Er wordt gespeeld om de heerschappij over het veldje, denken wij.

Het is mooi om naar te kijken, want iedereen op het veldje kan voetballen. Het spel golft op en neer en het is lastig te zien wat de bovenliggende partij is. Ik vraag me af voor wie ik ben. Ik identificeer me meer met de veld- dan met de straatspelers, maar dat is nog geen reden om partij te kiezen. Ik bespreek de kwestie met mijn mededrinkers, en er ontstaan twee kampen die elkaars voorkeur op luide toon bekritiseren. Bij een pauze in de discussie kijken en luisteren we naar het voetbal.

De veldjongens scoren.

De straatvoetballers tikken iedereen gek.

Niemand houdt de stand bij.